De "Bon Jour" in 1962

De Mi Amigo, midden jaren zestig. Nog goed onderhouden.

De Mi Amigo in augustus 1973.

Mi Amigo in 1979. Een roestbak. Bron: Hans van Dijk

De Mi Amigo gezonken in 1980

Inleiding

Er is veel over zeezenders geschreven: over de programma’s, de betrokkenen, het wel en wee, mislukkingen en successen.

Wat vaak wat onderbelicht is gebleven zijn de schepen die de diverse stations gebruikten. Uiteindelijk is het schip een zeer belangrijk en onmisbaar onderdeel van het gehele project. Dat bleek in de praktijk nogal eens te worden onderschat.. Er werd bijna altijd gebruik gemaakt van “uitgevaren” schepen die technisch of economisch onrendabel of verouderd waren. Het moest liefst zo goedkoop mogelijk zijn: het hoefde immers alleen maar te drijven en op zijn plaats te blijven liggen. In veel gevallen werd de ook scheepsmotor verwijderd, was deze onbruikbaar geworden, of er was niemand die hem kon starten/bedienen als het er op aan kwam.

De meeste zendschepen hebben als zodanig een vrij onopvallend bestaan geleid. Er is er echter één dat er uit springt: de “Mi Amigo”. Vandaar hier een beschrijving van de lotgevallen van het schip, dat een opmerkelijke carrière heeft gehad van bijna 60 jaar, waarvan 19 jaar als zendschip.

Het verhaal is opgedeeld in zes min of meer duidelijk te onderscheiden perioden. Ik heb naast mijn eigen archief diverse andere bronnen geraadpleegd. Er is veel geschreven met betrekking tot de “Mi Amigo”, soms ook tegenstrijdig..

 

De periode 1921 – 1960

Het schip werd door “Deutsche Werke Kiel” gebouwd in 1921 als een driemast schoener – een zeilschip – en kreeg de naam “SS Margarethe”, Ze was 29,46 meter lang, 7,04 meter breed en had een diepte 2,87 meter. Het laadvermogen was op dat moment 129 ton. Ernst Simon AG was de eerste eigenaar die ermee met stukgoed langs verschillende Baltische havens voer. In 1927 werd zij verkocht aan Heinrich Koppelmann die het schip hernoemde en de naam gaf van zijn vrouw: Olga.

In 1928 werd ze versterkt en werd een viercilindermotor geïnstalleerd. Een van haar houten masten werd vervangen door een stalen mast. De “Olga” had Hamburg als haven van registratie.

In 1936 werd een nieuwe “Klockner-Humboldt” 6 cilinder dieselmotor geïnstalleerd, ook werd de “Olga” verlengd tot circa 34  meter door een nieuw middengedeelte toe te voegen.

Op 5 juni 1941 werd de “Olga” gevorderd door de Kriegsmarine en diende als hulpschip op de “Truppenübungsplatz Putlos” in Schleswig-Holstein. In november 1943 werd de Olga ontmanteld en teruggegeven aan haar rechtmatige eigenaar. Toen Heinrich Koppelmann was overleden, ging het eigendom over op zijn weduwe. In 1951 werd de Olga opnieuw verlengd.

Het schip werd in 1959 verkocht. Haar nieuwe eigenaars waren van plan haar te verbouwen om als zendschip voor “Radio Nord”, een nieuwe Zweedse zeezender, te gaan gebruiken.

 

De periode 1960 – 1964

Het werk zou worden uitgevoerd op de “Norderwerft” in Hamburg. De “Olga” arriveerde op eind mei 1960 op deze werf. De Duitse autoriteiten kregen lucht van het project en informeerden de organisatie over het bestaan van een oude wet uit 1930 die het verbiedt een radiostation op te richten en in de ether te brengen zonder toestemming van de autoriteiten.

Om problemen te voorkomen besloot de organisatie om naar het Deense Kopenhagen uit te wijken waar deze activiteiten kennelijk niet verboden waren. Het laadruim werd verbouwd tot studio’s, zenderruimte en generatorruimte. Ook werd op het dek de opbouw geplaatst die kenmerkend voor het uiterlijk van de latere “Mi Amigo” was. Oorspronkelijk was het de bedoeling om twee 38 meter hoge masten te installeren, maar er werd er uiteindelijk maar één geplaatst. Ook werden twee zenders van 10 kWatt aan boord geïnstalleerd. Het schip werd rond deze tijd omgedoopt tot “Bon Jour” en ze werd omgevlagd naar Nicaragua. Het schip had nu ongeveer zijn vorm gekregen die het jarenlang zou houden. De scheepsmotor bleef aanwezig en kennelijk intact: in 1974 zou het schip nog op eigen kracht van Scheveningen naar de Thamesmonding hebben gevaren.

Op 20 december 1960 verliet het zendschip de haven van Kopenhagen. Het zat de organisatie niet mee: er waren problemen met de antennemast en toen het schip ook nog in een zware storm terecht kwam verliet de bemanning het schip omdat gevreesd werd dat de mast alsnog zou omvallen. Een dag later keerde kwam deze weer aan boord en het schip werd op sleeptouw genomen, op zoek naar een haven om reparaties te uit te voeren. Er werd nu gekozen voor een Finse scheepswerf, maar de Finse overheid verbood het om herstelwerkzaamheden uit te voeren op haar grondgebied. De scheepswerf wilde evenwel zijn contract nakomen en zo werden het herstelwerk uitgevoerd op volle zee, buiten de territoriale wateren.

Uiteindelijk ging de  “Bon Jour” op 6 februari 1961 voor anker nabij Orno en zouden de uitzendingen eindelijk kunnen beginnen. Na opnieuw problemen, ditmaal met de isolatoren, gingen de uitzendingen op 21 februari van start. Het station werd snel populair en tot 2 december van dat jaar ging alles goed. Wel was de Zweedse regering bezig wetgeving tegen het station voor te bereiden. Als onderdeel daarvan werd er druk uitgeoefend op de Nicaraguaanse regering om de registratie van het schip in te trekken. De “Bon Jour” werd daarom omgevlagd naar Panama en omgedoopt tot “Magda Maria”.

Op 2 december 1961 werd het schip getroffen door een zware storm waardoor het bijna zonk. Het schip raakte op drift en de motor wilde niet starten. Uiteindelijk kreeg men de motor weer draaiend en werd de haven van Sandhamn in Zweden binnen gelopen, voor reparaties aan onder andere de alweer defect geraakte zendmast. De zendapparatuur aan boord werd niet geconfisqueerd, omdat werd erkend dat het binnenlopen van de haven een noodsituatie was. Op 8 maart 1961 keerde de “Magda Maria” terug naar haar ankerplaats en hervatte de uitzendingen.

“Radio Nord” werd gedwongen op 30 juni 1962 haar uitzendingen te staken. Er was in Zweden een anti-zeezenderwet aangenomen waardoor bevoorrading en adverteren illegaal werden. Ook in Denemarken werd gelijktijdig dezelfde wetgeving van kracht, waardoor uitwijk naar dit land niet mogelijk was. “Radio Nord” heeft dus iets meer dan een jaar min of meer probleemloos uitgezonden.

Op 4 juli 1962 voer de “Magda Maria” naar Ferrol, Spanje, waar ze op 2 augustus 1962 aankwam voor een onderhoudsbeurt. Het schip werd vervolgens te koop aangeboden. Ook werd de naam veranderd: de nieuwe naam werd “Mi Amigo”. Na wat omzwervingen in de Europese wateren belandde ze uiteindelijk in Galveston, Amerika, met de bedoeling van de Amerikaanse eigenaren haar om te bouwen tot luxe jacht..

Zo ver is het niet gekomen. Een eerder voorgenomen aankoop door “Project Atlanta Ltd”, onder leiding van Allan Crawford, was niet door gegaan omdat financiers aarzelden om in het project te investeren als gevolg van de sluiting van “Radio Mercur”. Het duurde daardoor tot december 1963 voordat Crawford over de benodigde financiële middelen beschikte en het schip kon aankopen. De “Mi Amigo” vertrok op in december 1963 vanuit Galveston naar Las Palmas, Spanje. Op 5 februari 1964 kwam ze aan in Ferrol, Spanje, waar reparaties plaats vonden, inclusief werk gericht op het verbeteren van haar stabiliteit.

Terzijde: Stabiliteit is heel belangrijk voor een zendschip: de hoge mast verlegt het zwaartepunt van het schip een eind naar boven, wat haar gevoelig maakt voor slingeren en eventueel kapseizen. Het zodanig ballasten dat het zwaartepunt weer lager komt te liggen is een vrij nauwkeurig luisterend werk. Het mag ook weer niet te traag zijn omdat het schip anders bij hoge zeegang onvoldoende “meegaat”.

Al met al is er tussen 1960 en 1964 heel wat aan het schip gesleuteld….

 

De periode 1964 – 1968

Daarna vertrekt de “Mi Amigo” naar een werf in Greenore, Ierland, waar onder meer een 141 voet (43 m) hoge nieuwe zendmast is geplaatst. Tenslotte wordt koers gezet naar de Thames monding, haar nieuwe ligplaats, om als “Radio Altanta” uitzendingen te gaan verzorgen.

Op 21 april 1964 komt het schip bij Land’s End in een storm terecht en raakt de mast beschadigd. De reparatie wordt op volle zee uitgevoerd voor de kust van Falmouth. Op 27 april 1964 gaat de “Mi Amigo” bij Frinton-on-Sea voor anker en begint met uitzenden. Deze uitzendingen leidden tot klachten van de General Post Office over het storen van de radiocommunicatie stoorde. Als gevolg hiervan trekt Panama de registratie van het schip op 7 mei 1964 in. Onbekend is welke vlag het nadien voerde. In juli 1964 ging “Radio Atlanta” samen met “Radio Caroline”. Vanaf de “Mi Amigo” werd er vanaf dat moment uitgezonden onder de naam “Radio Caroline South”.

De periode tussen 1964 en 1967 is voor “Radio Caroline” een behoorlijk succesvolle tijd geweest

Onheil blijft het schip niet bespaard: op 20 januari 1966 breken in een vliegende storm de ankerkettingen van de “Mi Amigo” waardoor het schip met een flinke vaart naar de kust drijft. De bemanning heeft niets in de gaten en pas als het schip een paar honderd meter van de kust verwijderd is, is het te laat: de “Mi Amigo” strandt bij Frinton at Sea. De bemanning wordt van boord gehaald en naar het politiebureau van Walton-on-the-Naze gebracht, waar hen werd medegedeeld dat zij als “schipbreukelingen en noodlijdende zeelieden” werden beschouwd en recht op gratis vervangende kleding hadden. Een winkelier werd overgehaald om vroeg te openen zodat de bemanning droge kleren kan krijgen en accommodatie werd voor hen geregeld in een hotel.

Het schip zelf komt er wonderbaarlijk goed van af. Ze strandt precies op de enige plek waar geen rotsen of golfbrekers aanwezig zijn. Pogingen van de sleepboot “Titan” om het schip los te trekken waren zonder succes. Op 21 januari 1966 slaagt de kapitein van de “Mi Amigo” erin haar op eigen kracht weer vlot te krijgen, weliswaar met enige schade. De “Mi Amigo” vertrekt dan naar Nederland om bij de “Zaanlandse Scheepsbouw Maatschappij” in Zaandam te worden gerepareerd. Het zal de laatste keer zijn dat het schip op een werf heeft gelegen. Waarschijnlijk werd daar ook een nieuwe 50 kWatt zender ingebouwd, dezelfde die tot het einde toe heeft dienstgedaan.

Begin april waren de reparaties gereed en op 16 april 1966 hervatte “Radio Caroline South” haar uitzendingen vanaf de “Mi Amigo”.

Op 15 augustus 1967 wordt de “Marine Offences Act”, de Britse wet tegen zeezenders, van kracht. Dat heeft grote gevolgen voor zowel de advertentie inkomsten als de bevoorrading. Alle stations behalve “Caroline” stoppen en de bevoorrading gebeurt vanaf dat moment vanuit Nederland. Dat lijkt ongeveer een half jaar goed te gaan, maar op 3 maart 1968 verschijnt vroeg in de morgen bij beide “Caroline” schepen, de “Mi Amigo” en de “Caroline”, gelijktijdig een sleepboot van Wijsmuller.

Dat bedrijf heeft al vanaf 1967 de bevoorrading verzorgd, maar is daar al maanden lang niet meer voor betaald. Beide schepen worden bij verrassing overgenomen en naar Amsterdam gesleept om als onderpand voor de achterstallige betalingen te dienen.

 

De periode 1968 – 1972

“Radio Caroline” heeft geen geld, en Wijsmuller durft de schepen niet te verkopen omdat de manier waarop ze zijn binnengehaald erg op zeeroof lijkt. Dat schikt ook potentiële geldschieters van  “Caroline” af en zo ontstaat een patstelling, en omdat er geen oplossing komt worden ze verlaten, afgesloten en tenslotte langzaam vergeten. Beide schepen liggen dan inmiddels in Zaandam, in een “rafelrandje” van het havengebied.

Nu is er weinig zo slecht voor een schip als stilliggen zonder onderhoud. Roest en vocht slopen een schip langzaam, en souvenirjagers en andere dieven doen de rest. Daar liggen ze bijna 4 jaar, aan hun lot overgelaten.

In mei 1972 worden ze eindelijk voor weinig geld verkocht, voor de sloop, en de “Caroline” is er zo slecht aan toe dat ze direct naar de sloper gaat. De “Mi Amigo” wacht een ander lot.

Over de precieze gang van zaken verschillende meningen, maar de uiteindelijke koper, ene Gerard van Dam, weet het schip van de sloop te redden en was van plan de “Mi Amigo” in te richten als zeezender museum, althans dat was het plan dat hij openbaar maakte. De werkelijke bedoeling was om de “Mi Amigo” zonder al te veel problemen weer op zee te krijgen. Zelfs als de autoriteiten al achterdochtig mochten worden was dit niet nodig, want niemand verwachtte dat het schip ooit nog in staat zou kunnen zijn uitzendingen te verzorgen. Ronan O’Rahilly, die inmiddels lucht van het project had gekregen, stond toe dat de naam “Caroline” gebruikt mocht worden mocht men er in slagen de zender weer in de lucht te krijgen.

Met een groep gedreven vrijwilligers werd het onttakelde schip zo goed mogelijk schoongemaakt en enigszins bewoonbaar gemaakt. Enige tijd later, begin september, werd het schip naar zee gesleept, met bestemming Scheveningen, maar in werkelijkheid ging het op een veilige 6 mijl uit de kust voor anker. Het schip was toen eigenlijk nauwelijks zeewaardig te noemen.

 

De periode 1972 – 1974

Eenmaal voor anker moest het schip verder worden opgeknapt en vooral de zender weer in de lucht kunnen komen. Dat lukte wonderwel en op 30 september werd tot veler verrassing de eerste proefuitzending gehouden. Van regelmatige uitzendingen was nog geen sprake, daarvoor moest er nog te veel gebeuren. Begin december was de zaak enigszins op orde – een hele prestatie – en konden regelmatige uitzendingen plaats vinden. Wel was in een zware novemberstorm de antennemast overboord gegaan waardoor een weinig effectieve noodantenne gebruikt moest worden.

Het duurt echter niet lang: de organisatie heeft geen geld en een afgezien van een paar vrijwilligers verlaat de bemanning – inclusief de kapitein – het schip. Een dag later laat de kapitein de ankerketting doorbranden en de “Mi Amigo” wordt – voor de tweede keer in haar bestaan – naar Amsterdam gesleept om betaling van de achterstallige lonen af te dwingen. Er zijn van dit verhaal meerdere versies in omloop, in een andere versie wordt de kapitein bedreigd, en komt de Nederlandse Marine ook op de proppen, maar in alle versies eindigt het schip in de Amsterdamse haven.

De scheepvaartinspectie, inmiddels betrokken bij de gang van zaken, verklaart de “Mi Amigo” tot een drijvend wrak dat niet meer naar zee mag. En om beslaglegging te voorkomen moet het schip zo snel mogelijk weer naar zee, veilig buiten de territoriale wateren. Er volgt wat geharrewar over de beslaglegging en de te verrichten reparaties, maar de nadat de grootste gebreken – zo zou er een groot gat in de machinekamer zitten – in allerijl (provisorisch) zijn hersteld weet de organisatie de ”Mi Amigo” weer naar open zee te krijgen voordat daadwerkelijk beslag kan worden gelegd. Dat alles speelde zich af tussen Kerst en Nieuwjaar, een tijdvak dat alle officiële diensten niet optimaal (samen)werken…

Het jaar 1973 vertelt het verhaal van een organisatie waar geldgebrek en improviseren een hoofdrol spelen, maar in 1974 is er dank zij het commerciële succes van “Radio Mi Amigo” meer geld om de apparatuur in betere conditie te brengen. Wel sneuvelt er in het najaar van 1973 nog een nieuwe antennemast, maar het exemplaar dat daarna is geplaatst heeft het tot 1980 uitgehouden.

Voor het in werking treden van de Nederlandse anti-zeezender wet op 1 september 1974 werd van alles gedaan om het schip en de apparatuur aan boord zolang het nog kon in goede conditie te krijgen. Zo werd o.a. de scheepsmotor weer inzetbaar gemaakt. Het gedeelte onder water bleef echter zoals het was, met uiteindelijk noodlottige gevolgen.

 

De periode 1974 – 1980

Na 31 augustus 1974 was het niet meer mogelijk vanuit Nederland de bevoorrading te verzorgen, althans niet meer legaal. De “Mi Amigo” lag inmiddels voor de Engelse kust. Vanaf het schip werden overdag de programma’s van “Radio Mi Amigo” uitgezonden en ’s avonds die van “Radio Caroline”.

Vanaf dat moment werd structureel onderhoud aan het schip steeds moeilijker en bleef uit. De conditie van de “Mi Amigo” werd dan ook geleidelijk aan steeds slechter. Het schip overleefde verder op haast wonderlijke wijze een aantal bijna-strandingen (niet voor de eerste keer).

De “Mi Amigo” was op vrijdag 10 september 1976 op drift geslagen, waarbij het vlakbij een zandbank kwam te liggen. Tijdens de storm stond de bemanning met zwemvesten op de brug, er werden noodsignalen uitgezonden. Een schip dat toevallig in de buurt was haalde een aantal mensen van het zendschip. Door de storm en het afdrijven was de zender bijna een week uit de lucht. Er was erg veel schade en de gevolgen van een enorme ravage moesten opgeruimd worden. De studio van “Radio Mi Amigo” was zelfs onbruikbaar geworden.

Op donderdagmorgen 16 september 1976 was er weer muziek op de 259 m te horen. De reguliere uitzendingen werden vanaf 17 september om 12:00 uur hervat met een nieuwsuitzending waarin kort de situatie werd weergegeven.

“Caroline” en “Mi Amigo” gingen door met uitzenden tot 20 oktober 1978. Toen begaf de generator die de stroom voor de zender moest leveren het. Beide stations verlieten die dag om 12:00 uur de ether.

Op 19 januari 1979 lijkt het helemaal mis te gaan. Omdat de toestand van het schip erg slecht is en er inmiddels vele gaten in de bodem zitten die steeds met beton dichtgemaakt moesten worden, wordt het schip drijvende gehouden door continu het binnenstromende zeewater naar buiten te pompen, naar verluid zo’n tienduizend liter per dag. Maar tijdens een storm met windkracht 8 tot 9, wordt zoveel water gemaakt dat de drie pompen het niet meer aankunnen, ermee ophouden en niet opnieuw gestart kunnen worden. Hierdoor dreigt het schip te zinken en worden er noodsignalen uitgezonden.

De bemanning wordt van boord gehaald. De zendertechnicus, Peter Chicago, geeft het niet op en brengt alsnog pompen en brandstof aan boord van het zinkende schip en redde de situatie….

Er volgde een lange stilte totdat “Caroline” op 15 april 1979 met overdag Nederlandstalige programma’s en ’s avonds Engelstalige weer terug in de lucht kwam. “Radio Mi Amigo” had in oktober al eerder afscheid van de “Mi Amigo” genomen, mede door de steeds slechtere conditie van het schip. Er was zoals gezegd sinds 1966 al geen structureel onderhoud meer gepleegd. Afgezien van het financiële aspect – het station was commercieel gezien geen succes – was het niet mogelijk op legale wijze een werf te bezoeken.

De “Mi Amigo” hield het nog uit tot 20 maart 1980. Die dag brak het schip los van zijn ankers, kwam op een zandbank terecht en raakte lek. Ditmaal verloor het schip de strijd en zonk een aantal uren later. De bemanning was door een reddingboot van boord gehaald. De zendmast heeft nog enkele jaren boven water uitgestoken.

Het was een schip met een bewogen carrière die 59 jaar heeft geduurd. De meeste schepen halen overigens die leeftijd niet eens en gaan eerder naar de sloopwerf. Ze heeft, in de woorden van Ronan O’Rahilly, uiteindelijk een waardig einde gekregen- in het harnas gestorven.

Vraag niet hoe, maar Radio Caroline kwam in 1983 terug in de lucht vanaf een nieuw schip, maar dat is een ander verhaal….

 

Stations die hebben uitgezonden vanaf de “Bon Jour”, de “Magda Maria”en de “Mi Amigo”

Radiostation                      van                                        tot

 

Radio Nord                       8 maart 1961                     30 juni 1962

Radio Atlanta                    9 mei 1964                          2 juli 1964

Radio Caroline                  3 juli 1964                           3 maart 1968

Anonieme testen              30 september 1972            18 december 1972

Radio 199                        18 december 1972             21 december 1972

Radio Caroline                  22 december 1972             14 juli 1973

Radio Veronica                 11 april 1973                       22 april 1973

Radio Atlantis                  15 juli 1973                         18 oktober 1973

Radio Seagull                   24 juli 1973                        22 februari 1974

Radio Mi Amigo                28 december 1973            20 oktober 1978

Radio Caroline                 23 februari 1974               20 oktober 1978

Radio Caroline                 15 april 1979                      19 maart 1980

 

(met dank aan “Radiopedia” waar ik deze tabel heb gevonden).

 

versie 1 sept 2020