De namen van de stations op onze radio’s zijn daar niet toevallig terecht gekomen. Daar ligt een hele geschiedenis aan ten grondslag. Hieronder zal ik een poging doen het een en ander toe te lichten.

In de begintijd van de omroep waren de beschikbare golflengten nog niet strak ingedeeld. Omroepstations waren globaal gezien te vinden tussen 2000 en 200 meter (150 en 1500 kHz).

Al dan niet in onderling overleg werd een geschikt plekje gevonden waarbij werd gelet op storing door andere zenders, te verwachten bereik met de gekozen golflengte, e.d.

Naarmate de radio omroep meer ingeburgerd raakte en het aantal luisteraars toenam ontstond de noodzaak tot meer en strakkere ordening in de ether

Zo waren er Internationale conferenties in onder meer Geneve (1925), Brussel (1928) en Praag (1929) waarbij afspraken werden gemaakt over de onderlinge frequentieafstand tussen twee zenders, in Madrid (1932) en Montreux (1939) waar de beschikbare golflengtes en toegestane uitzendvermogens zo goed mogelijk werden verdeeld. De Tweede Wereldoorlog zorgde ervoor dat die afspraken niet geheel konden worden uitgevoerd en daarna ontstond een geheel nieuwe geografische werkelijkheid (waarbij o.m. Duitsland een groot aantal golflengtes kwijtraakte)

Er waren ook na de oorlog meer gegadigden dan beschikbare golflengten, deze moesten daarom zo goed als haalbaar verdeeld worden om onderlinge storingen zo veel mogelijk te vermijden. In 1948 werd daarom in Kopenhagen opnieuw een internationale conferentie gehouden. Dit leidde tot het z.g.n. “Plan van Kopenhagen 1948” dat in werking trad op 15 maart 1950.

Omdat de uitwerking van dit plan de jaren vijftig en zestig bestrijkt, het tijdperk waar qua aantallen de meeste van onze radio’s zijn gemaakt, ga ik er wat uitgebreider op in.

Dit plan regelde de onderlinge frequentieafstand tussen de zenders ( 9KHz) en verdeelde de beschikbare golflengten zo eerlijk mogelijk over de Europese gegadigden. De “schaarste in de ether”, in latere jaren veelal een argument om onwelgevallige etheractiviteiten de nek om te draaien was toch echt een realiteit. Hoewel de meeste stations in de nacht van 15 maart 1950 naar hun nieuwe frequenties gingen waren de problemen niet opgelost. Er was nog wel eens verwarring bij luisteraars omdat hun favoriete stations waren verplaatst of net buiten het ontvangstbereik van hun wat oudere toestel terecht waren gekomen . Vóór 1948 eindigde de middengolf op veel toestellen zo rond de 200 meter – 1530 kHz. Radio Bulletin vond daar een oplossing voor. Sommige omroeporganisaties gaven trouwens ruim bekendheid aan de nieuwe indeling.

De invoering van het Plan in 1950 betekende dat de stationsnamenschalen van de radio’s moesten worden aangepast. Dat gebeurde geleidelijk en op sommige schalen uit die tijd zie de aanduiding “Plan de Copenhague” meestal in Frans, ergens in een hoekje staan. Amroh – bekend van zelfbouw – adverteert in dat jaar met vervangende stationsnamenschalen. De eerste dateren dus van eind 1949. Erres vermeldde op sommige schalen zelfs het kanaalnummer.

 

Al vanaf het begin werden er weer zenders verplaatst en tussen geschoven, zodat de omroepband al snel weer bol stond van onderlinge storingen.

Zo waren er in pakweg midden jaren zestig heel veel nieuwe – en legale – zenders in geslaagd om toch nog ergens een plekje te vinden (en niet altijd met laag vermogen). Zo kwam Duitsland er bij de verdeling in 1948 nogal bekaaid af, wat tot gevolg had dat er in de jaren daarna zowel in West- als Oost Duitsland een groot aantal zenders alsnog ergens moesten worden ingepast. De ether was dus vol. Daarbij kwam nog dat in de jaren zestig en zeventig de uitzendvermogens sterk omhoog gingen in een poging storingen door andere zenders op dezelfde frequentie te vermijden. Zo ging het vermogen van de Hilversumse zenders van 120 kW omhoog tot 400 kW, en ze waren niet de enige…..

Er zaten ook nog wat afwijkingen in deze frequentieverdeling uit 1948. Hoewel het grootste deel van de middengolf kanalen een onderlinge afstand van 9 kHz had, waren er boven en onderaan de band een aantal afwijkingen. Om te beginnen had het eerste kanaal een frequentie van 529 kHz en het tweede 539 kHz.  Vanaf daar liep het met stappen van 9 kHz omhoog: 548 kHz, 557 kHz, etc.

Dat ging zo door tot 1538 kHz, daarna ging het met stappen van 8 kHz omhoog: 1546 kHz, 1554 kHz, 1562 kHz (Veronica 192m), 1570 kHz, 1578 kHz, 1586 kHz, 1594 kHz en tenslotte 1602 kHz. Op deze wijze waren er op de middengolf 121 kanalen vastgelegd.

Ook bleef 520 kHz – officieel nu dus buiten de band – nog tot begin jaren zestig in gebruik. Ook waren er nog lang een paar omroepstations actief in het gebied tussen de Lange- en de Midden golf in. Op 400, 420 en 430 kHz om precies te zijn.

 

In 1975 werd er in Geneve opnieuw een conferentie gehouden waarbij onder andere deze plooien gladgestreken werden.

Dat werd als volgt aangepast: 520 kHz verviel nu echt, 529 kHz werd 531 kHz (dat bleef dus het eerste kanaal) , 539 kHz werd 540 kHz en vanaf daar ging het met 9 kHz omhoog waardoor alle hogere kanalen 1 kHz omhoog gingen. (zo ging Hilversum b.v. van 1007 naar 1008 kHz).

1538 kHz werd 1539 kHz. Vanaf daar ook met stappen van 9 kHz omhoog: 1546 werd 1548 kHz, 1554 werd 1557 kHz, 1562 werd 1556 kHz, 1570 werd 1575 kHz, 1578 werd 1584 kHz, 1586 kHz werd 1593 kHz, 1594 verviel, en 1602 Khz bleef zoals het was.

In 1976 werd alles opgeschoven, en tot op heden is dat zo gebleven. Moderne digitale ontvangers voor de omroepbanden werken nu eenmaal het beste met vaste stappen van 9 kHz.

In de begintijd van de radio werd alleen gesproken over golflengtes in meters. Door de jaren heen was er in de weergave een geleidelijke verschuiving van golflengtes in meters naar frequenties in kilo Hertzen. Vanaf eind jaren zeventig was deze verschuiving voltooid.

 

De oudste radio’s uit de jaren twintig hadden nog geen stationsnamenschalen. Die kwamen pas in zwang begin jaren dertig. Voor die tijd waren de afstemknoppen vaak voorzien van een schaalverdeling met getallen waarbij een tabel gemaakt moest worden wat waar te ontvangen was. (b.v. Droitwich op 69.5)

Bij een stationsnaam hoorde altijd een vakje op de schaal en nooit een punt. Ideaal gesproken was de gezochte zender het best te ontvangen wanneer de wijzer midden in het vakje stond. In de praktijk was dat zelden het geval: de wijzer kon iets verschoven zijn op het schaaldraad, door de temperatuur of veroudering van onderdelen kon de oscillator iets verlopen zijn, de zender zat niet op de juiste golflengte e.d. Soms was het vakje zo groot dat er meerdere zenders in pasten, zeker als die zenders zich niet aan de geplande golflengte indeling hielden.

De verschillende stations worden behandeld in “Over Stationsnamen” op deze website.

 

Ik heb wat artikelen uit mijn archief ingescand en de titel en link hieronder vermeld: als ik er nog meer vind voeg ik die alsnog toe.

Radio Telefoongids – Idzerda midden jaren 20

Lijst van Lange- en Middengolfzenders vóór Kopenhagen

Wellenchaos – Funktechnik 1948-10

Der Kopenhagener Wellenplan – Funktechnik 1948-24

De Band is weer Best – Radio Bulletin april 1950

Regionale Omroep op elke Super – Radio Bulletin april en mei 1950