Draadomroep

Nostalgie bij de kolenkachel..

       De Draadomroep: links de bekende luidspreker

Hoe het begon: om naar de radio te luisteren was uiteraard een radio-toestel nodig. Dat kostte, vooral vroeger, veel geld. Bovendien was een zekere kennis noodzakelijk voor het opstellen en bedienen van het toestel. Ook was voor een ongestoorde ontvangst een behoorlijke antenne nodig. Verder ook accu's, reservelampen, etc.

Zo ontstond het idee om vanaf één centraal toestel het geluid te verdelen over meerdere luidsprekers, opgesteld bij verschillende luisteraars. Deze luisteraars deelden dus een radiotoestel en bespaarden geld en moeite. De verdere uitwerking van dit principe leidde in de jaren twintig tot de oprichting van verschillende “Radio-Centrales” waarvan een aantal niet alleen radio-programma’s doorgaf maar ook zelf (grammofoon)muziek verzorgden.

Voor de aanleg en exploitatie was (uiteraard) een vergunning vereist. Het aantal aanvragen voor een machtiging stijgt zeer sterk. Ook is niet iedere centrale-exploitant even kundig. Soms spot de aanleg met de meest elementaire technische begrippen. In 1927 grijpt de overheid in en kondigt een tijdelijke stop aan. Er zijn dan in 1100 gemeenten al 4000 aanvragen ingediend, wat het succes van het medium weerspiegelt. De centrale-exploitant is verplicht de radioprogramma’s van de beide Hilversumse zenders onverkort door te geven. Uitzendingen uit Russische en niet-Europese staten mogen niet worden doorgegeven. Dat laatste geldt, opmerkelijk genoeg, na 1937 ook voor het Nederlandse programma van de commerciële zender Radio Luxemburg.

In de Tweede Wereldoorlog annexeerden de Duitsers alle radiodistributienetten en brachten die onder beheer bij de PTT.

Na de Tweede Wereldoorlog bleef de exploitatie van de radiodistributie in handen van de PTT. Die bouwde de netten voortvarend uit. Tussen 1945 en 1953 steekt de PTT bijna vijftig miljoen gulden in renovatie en uitbreiding. Veelal gebeurde dat bovengronds. De grijze loodmantelkabels van de draadomroep werden doorgaans aan de achterzijde van de huizenblokken bevestigd (en zijn inmiddels al jaren overal verwijderd). Ook werd de naam gewijzigd: het woord “distributie” had een nare bijklank gekregen. Voortaan werd gesproken van “draadomroep”.

Al met al was dit een enorme investering in een speciaal voor dit doel aangelegd kabelnet.

In de jaren vijftig en zestig was deze draadomroep een zeer populair medium. Het was dan ook goed geregeld: met een enkele luidspreker in een kastje en een volumeregelaar/programmakiezer konden vier radioprogramma’s worden beluisterd: de beide Hilversumse zenders 1 en 2, een licht programma en een klassiek/cultureel programma, beiden samengesteld uit het aanbod van diverse buitenlandse zenders.

Rond 1973 werd de draadomroep opgeheven. De luidsprekerkastjes kom je nog wel eens tegen op rommelmarkten. Ze zijn uitstekend te gebruiken als tweede luidspreker.

In het Radio Historisch Tijdschrift, uitgave van de NVHR, is in nummer 82 van augustus 1997 een artikel verschenen over de techniek achter de draadomroep. Het is geschreven door de heer P.C.J. Kluit.

Hierna volgt een bewerking van dit artikel:

De exploitatie van de draadomroep door de PTT.

Onder beheer van de PTT werden de geluidskwaliteit (40 Hz - 10 kHz) en de storingsvrijheid aanmerkelijk verbeterd. De omroep programma’s werden door de PTT via een kabelverbinding met de studio’s en de radiokamer van de draadomroep in Hilversum door het land verspreid. De signalen werden doorgegeven aan de telefooncentrales (die ook door de PTT werden geexploiteerd) via zgn. muziekaders, via speciale lijnen van het telefoonnet of met draaggolfkabels. Ook buitenlandse radioprogramma’s kwamen binnen in de radiokamer in Hilversum.

In de telefooncentrales werden de signalen gesplist, versterkt en vervolgens doorgegeven aan centrale versterkers die werkten op een ingangsniveau van circa 0,5 Volt. Tot hier was sprake van het z.g.n. muzieknet.

In de versterkercentrale werd de spanning op geluidsniveau gebracht (circa 42 Volt) waarna de programma’s verder aan de aangeslotenen werden doorgegeven. Voor overbrugging van grote afstanden (meer dan 2 km) werd de lijnspanning op een hoger niveau gebracht dan de gebruikelijke 42 Volt, dit om kabelverliezen te compenseren. De voorkeur ging echter uit naar meer (lokale) versterkercentrales.

In de versterkercentrales werden de volgende typen versterkerrekken gebruikt.

Type:

  1. 2853 R 4 x 60 WATT 100 – 150 AANSLUITINGEN
  2. 4500 Ph 4 x 100 WATT 150 – 350 AANSLUITINGEN
  3. 4502 Ph 4 x 100 WATT 350 – 750 AANSLUITINGEN
  4. 4503 Ph 6 x 100 WATT 700 – 1000 AANSLUITINGEN

Dit waren versterkers met buizen.

Per luidsprekeraansluiting was een vermogen van 0,3 Watt vereist. De impedantie van de luidspreker transformator, belast met de daarbij behorende luidspreker, is bij 1000 Hz 600 Ohm. De lijnspanning is 42 Volt. De stroom I is dus 42 : 600 is 0,07 A. Het vermogen P is dan 0,07 x 42 = 0,3 Watt.

Dat 0,3 Watt in een daartoe geschikte luidspreker + behuizing genoeg is om op kamersterkte geluid weer te geven wordt wel eens vergeten...

De abonnee moest niet alleen het programma kunnen kiezen maar ook het volume kunnen regelen. Dit gebeurde met de programmakiezer. Hiermee kon een keuze worden gemaakt uit vier programma’s

In de programmakiezer was een volumeregelaar aangebracht waarmee het gewenste geluidsvolume kon worden geregeld. In de programmakiezer bevindt zich namelijk een transformator: de primaire hiervan was aangesloten op de inkomende leiding, de secundaire is voorzien van aftakkingen waarmee door middel van een standenschakelaar het volume geregeld kon worden. Het voordeel van deze transformatorkoppeling was tevens dat andere aangeslotenen op het net geen last ondervonden van storingen welke binnenshuis ontstaan tussen programmakiezer en luidspreker, zoals bijvoorbeeld sluitingen tegen aarde, abusievelijk aansluiten op het stroomnet, e.d.

Einde artikel

Zie ook bijgaand artikel uit Radio Bulletin van oktober 1961 over de draadomroep: "Draadomroep"

Al met al was de draadomroep technisch gezien een uitgebalanceerd systeem. In theorie waren zwerfstromen via de aarde niet mogelijk. In de praktijk was dat anders: waarschijnlijk door isolatielekken/beschadigingen van de verdeelkabels/geknoei met aansluitingen door abonnees waren de programma’s van de draadomroep soms redelijk te volgen, zie onder “UAEM”

Ik heb verschillende luidspreker kasten van de draadomroep: een met alleen een luidspreker en een met een luidspreker + versterker. Die laatste werd rechtstreeks uit het stroomnet gevoed; de versterker bestaat uit 2 x UL 41 en heeft een ingangs- en uitgangstransformator. De versterker/luidspreker waar het hier om gaat is een type dat werd toegepast in gebieden waar de draadomroep niet erg verspreid was. In die gebieden werden via het reguliere telefoonnet vier dubbeldraden in elke aftaktelefoonkabel in de straat beschikbaar gesteld.

Via het exclusief daarvoor bestemde draadomroepnet kon men namelijk met hoog niveau de signalen overdragen en was alleen een luidspreker voldoende. Dat net lag hoofdzakelijk in dicht bebouwde gebieden, waardoor men elders op het reguliere telefoonnet aangewezen was. Vanwege het risico van overspraak kon in het normale telefoonnet alleen transport op laag niveau plaatsvinden. Om dat verschil te compenseren werden door de PTT de bestaande standaard luidsprekers van een (balans)versterker voorzien met twee maal UL41.

Zie de foto’s. De luidspreker is Engels (Goodmans). De UL41 heeft een PTT stempel. De trafo’s zijn van het merk S.R. er zit een enkelfasige brugcel in.

Ik ben van plan de versterker werkend te maken en het schema dus ook op te tekenen.

Ik vond kort geleden (mei 2019) nog een interessant artikel over de draadomroep, zie hierna: Draadomroep en Hi-Fi

Achterzijde luidspreker met versterker

De kast is van polyester. Links onder de print de ingangstrafo

Schema programmakiezer

Schematische opbouw draadomroepnet

Programmakiezer

Programmakiezer inwendig.

Opbouwdeel programmakiezer.